DE KANAAL EILANDEN

Kaart 08

Op 21 juli komt er een einde aan onze verkenning van de Bretonse noordkust. Onvergetelijk wat zijn er hier veel mooie plekjes. Dat ik , in al die jaren varen, dit pas nu voor het eerst beleef! Er is maar net genoeg licht om de rivier af te varen, maar als we tussen de rotsen voor het vaste land en Ile de Bréhat door varen, komt de zon op en gaat het beter. We houden wat westelijk aan om de rotsen van Roches Douvres op eerbiedige afstand aan stuurboord te houden en gaan dan recht op de punt St. Martin af. Is het bijgeloof, dat me doet kiezen voor de drukte van St. Pietersport, in plaats van de rust van Beaucette marina. Wie weet, in elk geval vallen we met onze neus in de boter, omdat er van de week een straatmuziek festival is en ik ,geen moment, terugdenk aan ons bezoek van mei j.l.
Toch hebben we het na drie dagen wel weer gezien en gaan we ankeren bij het eilandje Sark. Aan de westkant van de coupure vinden we een mooi plekje. Rust, geen telefoon, geen internet of Facebook. De slogan, zo dichtbij en toch zo anders, is hier echt op z’n plaats. Wat heeft de klok hier in veel opzichten stilgestaan. Neem alleen al het feit dat auto’s hier verboden zijn.

Gewoon lekker niets doen

Gewoon lekker niets doen

We vinden het water nog te koud om te gaan zwemmen en zijn te lui om de bijboot uit te pakken en op te pompen, dus lezen we wat, of genieten van deze prachtige plek. De ochtend van de derde dag lichten we het anker en maken optimaal gebruik van keiharde stroom, die tussen de Casquets en Alderney zo te keer gaat, dat de stuurautomaat het niet meer aan kan en ik het moet overnemen. De rust keert pas weer, als we binnen veilig en wel aan een mooring hangen.

Was het hier maar altijd zo!

Was het hier maar altijd zo!

Wat me nu toch overkwam. Komt zowaar Jean Heylbroeck in z’n bijboot langszij. Hij ligt wat verderop voor anker. Als een jong atleet neemt hij de hindernis van onze railing als we hem wat te drinken aanbieden. Zie ons daar nu zitten, twee grijze koppen samen goed voor, gelijk verdeeld, 140 jaar. Beiden zeilden we rond de wereld in de tijd dat GPS nog moest worden uitgevonden. Opnieuw leren we een Facebook vriend persoonlijk kennen. Een moment om niet te vergeten. Nel, de camera. Dit moeten we vastleggen. We praten wat over onze verhalen die we allebei in een manuscript hebben vastgelegd. Met dien verstande dat Jean’s “DE WERELD IS ROND” al in de zoveelste druk is verschenen, terwijl wij onze verhalen in stukjes en beetjes bij kranten en tijdschriften uitgevers geplaatst wisten te krijgen.

De oude garde.

De oude garde.

LANGS DE BRETONSE NOORDKUST

Kaart 07

Het geluk is met ons. Zonder enige moeite schuiven we Paladijn in een mooi, juist groot genoeg,  plekje aan de passantensteiger van  L’ Aber Wrac’h. Dat het ook anders kan blijkt al spoedig als het tij omgaat en de stroom op gang komt. Afmeren kan hier ook een crime zijn, blijkt uit het brullen van motoren, het gieren van boegschroeven en het paniekerig geschreeuw van schippers en bemanningsleden. We graven de fietsen uit om de omgeving te gaan verkennen, maar wat moet je hier vaak omhoog. Het begint al bij de loopbrug van de stijger naar de wal, met het  enorme tijverschil hier is dat, bij laag water, een maar net te bedwingen hindernis. Maar mooi is het hier wel en als je het kerkplein van Landeda, deels met de fiets aan de hand waar het te steil is, weet te bereiken, kan je alleen maar met volle teugen genieten. En dan met de wind door je haren als een speer naar beneden, wauw!

De rivier de Aber

De rivier de Aber

We trekken verder en gaan op Roscoff af, maar afhankelijk van het tij kan de bestemming nog worden bijgesteld. Dicht onder de wal, om de sterke stroom wat te ontlopen en later, als de stroom is gaan meelopen, wat verder van het land en buitenom Ile de Batz. We vangen twee flinke makrelen, genoeg om straks de visroker voor de dag te halen.  Het wordt uiteindelijk Trébeurden waar we zowat op hoogwater een box vinden. Vanaf de twee Nederlandse jachten, twee boxen verderop, wordt onze aankomst op de voet gevolgd, maar een lijn aanpakken, ho maar! Dat goeie gebruik uit de watersport lijkt te verhuizen naar ’t geschiedenisboek. Hoewel het pas de 12e juli is, staat het vuurwerk, ter nagedachtenis van de bestorming van de Bastille, hier al voor vanavond op het programma.

Dan is Tréguier aan de beurt. We gaan, misschien toch niet zo’n slimme zet, binnen de Sept Iles door en krijgen de stroom keihard tegen. Met moeite halen we soms maar net één knoop over de grond. Het is een geluk dat er vandaag maar een kort tripje gevaren hoeft te worden. We worden er allebei  wat stilletjes van, als we de rivier de Jaudy opvaren. Allemachtig wat is het hier mooi!  Zulke schitterende, met bos begroeide hellingen, af en toe wat akkerland en die uit natuursteen opgetrokken huisjes. De o’s en a’s zijn niet van de lucht. Als we het schilderachtige stadje bereiken, zijn we blij dat hier wel helpende handen zijn, omdat afmeren in de stroom die hier loopt geen kinderspel is. Opnieuw worden we verrast, als na zonsondergang een prachtig vuurwerk wordt afgeschoten. Het is nu ten slotte wel de 14e juli.

De oude brug in Tréguier

De oude brug in Tréguier

Hoe stijl het hier is, merken we, als we het na een paar honderd meter al opgeven de fietsroute op de oostelijke oever te volgen en later als we te voet naar de markt op het plein bij de kathedraal gaan. Voor de boodschappen gaan de fietsen aan de hand mee naar boven, als ware het pakezels. Waarom, vragen we ons af, zijn supermarkten in deze streek toch altijd bovenop een heuvel? Echter bepakt en bezakt op de terugweg, beginnen we de logica hiervan in te zien als we weer naar beneden stuiven.

We hebben kennelijk de smaak te pakken van het rivieren opvaren, ditmaal is het de Trieux. Ook weer zo’n klein tripje. Via passé de la Gaipe en kanaal de la Moisie, langs Ile de Bréhat dat we aan bakboord houden. Deze, bijna net zo mooi als de vorige, rivier is wat breder. Het is hier ook veel drukker. Het dorp Lézardrieux is mooi en de winkels zijn niet zo ver. Bij het aanlopen zien we de groene romp van de Seawitch met haar vers gelakte dekhuis al van verre liggen en we meren twee boxen verderop af. Dat is een leuk weerzien met Els en Tim die we op onze eerste reis van dit jaar in Boulogne sur Mer voor het laatst zagen!

De passantensteiger in Lézardrieux

De passantensteiger in Lézardrieux

 

 

OP DE DREMPEL VAN DE OCEAAN.

Kaart 06

Op maandag de 7e juli slapen we uit. Dit kan omdat we pas om 11 uur hoeven te vertrekken. Als we het goed hebben uitgeknobbeld, komen we dan uitgaande van een gemiddelde snelheid van 5 knopen,  morgen rond de middag aan op de punt van het schiereiland  Finistère, waar het dan hoog water is. Het kan haast geen toeval zijn, dat net als hier op het meest westelijke punt van Frankrijk,  dit punt in Spanje ook Finisterre heet. Het zal wel het einde van de aarde betekenen of zo iets. Maar daar hadden we het niet over. Voor ons ligt een zeiltocht van over de 100 zeemijlen, nou ja zeiltocht. De windGURU heeft er niet zo’n hoge pet van op,  dus gaan we eerst maar even langs bij de bunkerboot in het midden van de rivier.

De vuurtoren op Start Point

De vuurtoren op Start Point

De GURU heeft het bij het rechte eind. In de beschutting van Start Point treffen we een windstil vlak zeetje aan. Voorbij de vuurtoren is dat wel heel wat anders. Daar merken we dat we zo’n beetje op de drempel van de oceaan zijn terecht gekomen. Er staat een lange hoge deining, die niets met de wind te maken heeft, maar eerder met een uitrollende Noord-Atlantic. Wind, en niet zo weinig ook, gaat vooraf aan de buien, die ons al maar frequenter komen plagen. Langzaam maar zeker raken we gewend aan het rollen van de boot en komen de gebruikelijke activiteiten opgang. Vooraf gegaan door het voorbij komen van een paar kleine dolfijntjes, die ons goeiedag komen zeggen. Dan gaat de vislijn uit en we vangen wat makreeltjes voor in de vissoep, die later wordt opgediend met een afbak broodje. Nelly stopt kussentjes en theedoeken op alle plekken waar rammeltjes en gerinkel hoorbaar zijn. Ze gaat al vroeg te kooi om het op middennacht van mij over te kunnen nemen. Dan begint het te schemeren en even later komen we in de scheepvaardroute  terecht. Voor de westwaards varende schepen hoef ik maar een keer in actie te komen, de rest schuift  ruim voor of achter langs. Dan wordt ik afgelost en is de beurt aan Nelly om de veelheid aan naar het oosten koersende schepen in de gaten te houden.

We zijn niet alleen

We zijn niet alleen

Om drie uur komt ze me porren, ze vertrouwt een over de 200 meter lang schip niet, dat met een snelheid van net geen 20 knopen aan komt zetten. Ze heeft onze koers al 20 graden bijgesteld, waardoor we port to port zullen uitkomen op ruim een halve mijl, maar ze weet niet goed wat te doen met het schip dat er net achter zit. Kunnen we er tussendoor glippen, of wachten en achterom gaan. We kiezen voor het eerste, sturen vlak achter het snelle schip langs en gaan dwars op de koers van het er achter varende schip liggen. Deze vaart veel langzamer en komt niet dichterbij als een kleine mijl. Bij dit hele gebeuren  speelt de AIS de hoofdrol, door ons van de koers en snelheid van het andere verkeer op de hoogte te houden. Ik ben nu toch klaar wakker en los Nelly af, die nog even lekker, tussen aanhalingstekens, in haar nestje duikt. Twee uur later daagt het in het oosten en niet veel later kan de navigatieverlichting uit. Er is geen groot schip meer in de buurt en we zien enkel een visserman aan het werk. Als de zon al aardig hoog aan de hemel staat krijgen we land in zicht. We hebben ons plan om door te zetten naar Brest bijgesteld. De motor hebben we nu wel lang genoeg horen lopen. Paladijn wordt richting de Aber rivier gestuurd en gaat tussen de rotsen door op de jachthaven van L‘Aber Wrac’h aan. Daar maken we vast om kwart voor twaalf en hebben er net geen 120 zeemijlen op zitten. Zo nu eerst een tukkie doen. Als ik wakker wordt is Nelly al om boodschappen geweest in het supermarktje boven op de heuvel. Ze vroeg de weg en werd er met de auto heen gebracht en weer terug.

Aan de bezoekerssteiger in L'Aber Wrac'h

Aan de bezoekerssteiger in L’Aber Wrac’h

NA 26 JAAR WEER EENS IN DARTMOUTH

Kaart 05

Nog nagenietend van een fijn verblijf in Chichester harbour, gaan we op weg naar de Solent. Er is gunstige wind en we zeilen heerlijk tussen de forten door dit zeilers El Dorado binnen. Komt het nu omdat ik ouder wordt, of moest ik vroeger ook al zo vaak voor van alles uitwijken. Om eerlijk te zijn, dit hoeft voor mij niet meer. Wat is het toch heerlijk om, ver van al dat gedoe, op zee te zwalken. Niet meer nadenken over wie er voorrang heeft en wie er het snelst gaat. We varen de hele Solent door, tot het nabij de Needles gelegen Lymington waarover we zoveel goeds hebben gehoord maar nog nooit zijn geweest. De verhalen kloppen; het is er mooi en je kunt heerlijk fietsen door de New Forest, wel wat klimmen, zo af en toe. Op 1 juli brandt er al voor de dageraad licht op Paladijn en in het eerste daglicht gaat het op the Needles af. Super snel en er worden stroomsnelheden van om en nabij de vijf knopen waargenomen.
Dat schiet lekker op, zeker nu we van plan zijn in één keer door te zetten naar Dartmouth. Aanvankelijk moet de motor voor de voortgang zorgen, maar uiteindelijk wordt ook de wind wakker en begint, dit keer als voorspeld, van achteren door te blazen. Dat belooft nog wat te worden, als net nabij Portland Bill, de stroom tegen de wind in gaat lopen en dat op springtij. Het is inderdaad al lang geleden, dat ik de Race of Portland zo aan de gang heb gezien. De autopiloot kan het in de verste verte niet aan en zelf heb ik alle moeite de zaak in de hand te houden. Gelukkig zijn dit maar stukjes die zelden meer dan een paar uur duren en je vergeet ze voordat je het weet. Lastiger is het, dat de wind nu precies van achteren komt en we constant tegen de gijp aan varen, dus schaatsen we maar wat, gijp na gijp. De hele weg al hangt de vislijn uit en we vangen vijf makrelen waarvan er twee te klein zijn en terug worden uitgezet. Die moeten eerst nog maar wat groter groeien.

Vertrek uit Torquay

Vertrek uit Torquay

Halfweg Lyme Bay veranderen we ons dagdoel van Dartmouth naar Torquay, dan hoeven we veel minder vaak te gijpen en ruim voor donker maken we vast aan de gemeente stijger van Torquay, we hebben binnen daglicht meer dan 85 zeemijlen overbrugt, niet gek toch. De tweede juli slapen we uit en varen daarna op ons gemak langs de schitterende rotskust naar het een kleine tien mijl verder gelegen Dartmouth. Ja ik weet het, dingen die je gezien of beleefd hebt, worden door de tijd almaar mooier en groter. Dat geldt niet voor Dartmouth, het was mooi en is nog steeds zo mooi.

Dartmouth, na al die jaren nauwelijks veranderd

Dartmouth, na al die jaren nauwelijks veranderd